Skip to Content
Terug naar het overzicht

‘Wat vind jij ervan dat er gehandicapte kinderen bij jou in de klas zitten?’ vraagt een schooldirecteur aan een meisje uit groep drie. De schooldirecteur wil weten of ze er goed aan doet om haar school open te stellen voor tamelijk zwaar gehandicapte kinderen, die meer aandacht van de leerkracht vragen dan gemiddeld. Deze kinderen brengen ook nog een speciale klassenassistent met zich mee, die hen met hun persoonlijke verzorging helpt.

De schooldirecteur heeft er vannacht wakker van gelegen. Lijden de niet-gehandicapte leerlingen niet onder alle aandacht die naar de gehandicapte kinderen gaat? bleef ze zichzelf afvragen. Ontwikkelen zij daardoor niet juist een aversie tegen gehandicapte leeftijdgenoten? Dat is echt het laatste wat ze zou willen bereiken met haar inclusieve school.

“Kinderen merken een handicap wel degelijk op, maar plakken er doorgaans geen waardeoordeel op.”

Verbaasd kijkt het meisje de schooldirecteur aan. Ze weet duidelijk niet wie of wat ze bedoelt. Pas als de schooldirecteur een omschrijving geeft van één van gehandicapte kinderen die bij het meisje in de klas zitten, gaat er een lichtje branden. ‘Die met die heel lange vlecht, die bijna niets zelf kan. Bedoel je haar?’ vraagt het meisje vrolijk. De schooldirecteur knikt. ‘Dat is gewoon Puck. Zij is mijn beste vriendin!’ vertelt het meisje enthousiast.

Opgelucht haalt de schooldirecteur adem. In één klap realiseert ze zich weer dat een handicap voor kinderen niet uitmaakt. Dat kinderen een handicap wel degelijk opmerken, maar er doorgaans geen waardeoordeel op plakken. Kinderen kijken naar wie de ander is, naar wat de ander te bieden heeft en naar wat er benijdenswaardig is aan de ander, al is het ‘maar’ een heel lange vlecht.

Vriendschappen niet noodzakelijk

Aan dit voorbeeld moet ik denken als ik zie hoe ouders worstelen met de vraag of hun gehandicapte kind wel vriendjes en vriendinnetjes zal krijgen. Dit is een heel natuurlijk iets, want veel ouders worstelen net zo met deze vraag als het om hun niet-gehandicapte kinderen gaat. Geen mens wil immers dat zijn of haar kind nooit mee mag doen, nooit gevraagd wordt om bij iemand thuis te komen spelen, nooit wordt uitgenodigd op een verjaardagsfeestje en steeds maar weer alleen is.

“Sommige mensen hebben nu eenmaal geen behoefte aan veel vriendschappen en dat zit er vaak vanaf de kindertijd al in.”

Opvallend is dat ouders dat steevast erg blijven vinden, óók als het kind zelf duidelijk aangeeft dat hij of zij het prima vindt om alleen te spelen. Maar dat gedrag is eveneens heel natuurlijk en komt bij veel kinderen voor. Sommige mensen hebben nu eenmaal geen behoefte aan veel vriendschappen en dat zit er vaak vanaf de kindertijd al in. Dat geeft helemaal niets, want hoewel vriendschap belangrijk kan zijn voor de ontwikkeling van een kind, kunnen kinderen prima opgroeien zonder ooit een vriendje of vriendinnetje te hebben.

Vanaf een veilige afstand zien kinderen die graag alleen spelen hoe andere kinderen samen spelen, samen de wereld om hen heen ontdekken, ruzie maken en weer bijleggen en voor elkaar opkomen, als dat nodig is. Stuk voor stuk zijn dat skills die elk kind gedurende zijn of haar leven prima kan gebruiken. Ze zien het allemaal gebeuren, denken er het hunne van en trekken er de nodige lessen uit. Vaak merk je dat zo’n kind in latere vriendschappen goed in staat is om ruzie te maken en bij te leggen, voor de ander op te komen en alles wat er bij een vriendschap komt kijken. Observeren van vriendschappen van andere kinderen is dus net zo effectief!

Daarom is het echt niet nodig – en vaak zelfs slecht – om een tevreden kind actief te stimuleren om vriendjes en vriendinnetjes te gaan maken. Een kind dat liever alleen speelt, kan zo het idee krijgen dat er iets niet deugt aan zijn of haar karakter. Dat moet je juist te allen tijde zien te voorkomen! Elk kind verdient het om geaccepteerd te worden zoals hij of zij in elkaar steekt. Dát is het fundament waarop een kind een gezonde dosis zelfvertrouwen kan gaan bouwen.

“Als ouder doe je er goed aan om je niet te veel te bemoeien met het sociale leven van je kind.”

Ik heb het hier heel nadrukkelijk over een tevreden kind. Het kan ook zo zijn dat een kind alleen blijft spelen, omdat hij of zij om één of andere reden geen aansluiting vindt en daar niet blij mee is. Dan is het natuurlijk wel zinvol om er als ouder met je kind over te praten. Je kunt dan samen kijken wat het kind zou kunnen doen om meer aansluiting te vinden. Zelf op andere kinderen afstappen bijvoorbeeld, in plaats van af te wachten. Maar doe dat pas als je zeker weet dat je kind liever niet altijd alleen speelt. Als ouder doe je er goed aan om je niet te veel te bemoeien met het sociale leven van je kind.

Handicap geeft voorsprong

Een gehandicapt kind kan natuurlijk even goed als andere kinderen de voorkeur eraan geven om alleen te spelen. Hun ouders staan daar echter vaak niet bij stil, bezorgd als ze zijn dat hun gehandicapte kind niet mee mag doen of er niet bij zal horen. Bang ook dat andere kinderen zich door de handicap laten afschrikken en daarom met een boog om hun gehandicapte kind heen zullen lopen. Of ze denken – net als de schooldirecteur – dat andere kinderen vinden dat hun gehandicapte kind wel erg veel aandacht van volwassenen nodig heeft en daarom niet met hem of haar willen spelen.

Dat zal best wel eens gebeuren, laten we daar duidelijk over zijn. Maar shit happens, óók in een kinderleven. Daar moet ieder kind – gehandicapt of niet – mee om leren gaan. Een gehandicapt kind zal moeten leren dat sommige kinderen niet zo leuk zijn om mee te spelen. Gelukkig is dat absoluut geen ramp, omdat er genoeg kinderen zijn met wie ze wel fijn kunnen spelen. Kinderen die het geen probleem vinden om samen te bedenken hoe je zó kunt spelen dat het niet uitmaakt of je een handicap hebt.

“Terwijl niet-gehandicapte kinderen tot een jaar of acht met elk kind best vriendjes willen worden, leren gehandicapte kinderen al eerder kritisch te kijken.”

Niet alle kinderen hebben dat in zich, maar er zijn er genoeg die er voor openstaan en die het zelfs wel leuk en spannend vinden. Wonen ze toevallig niet in de straat of in de buurt, dan vinden gehandicapte kinderen er wel een paar in hun familie of in de vriendenkring van hun ouders.

Misschien kun je zelfs zeggen dat gehandicapte kinderen door hun handicap juist een voorsprong ontwikkelen in het sluiten van vriendschappen. Terwijl niet-gehandicapte kinderen tot ze een jaar of acht zijn in principe met elk kind best vriendje of vriendinnetje willen worden, leren gehandicapte kinderen al eerder kritisch te kijken naar met welk kind ze wel of juist niet vriendschap willen sluiten. Gewoon, door te zien hoe die kinderen op hun handicap reageren.

Laat je gehandicapte kind het lekker zelf uitzoeken

Ouders van gehandicapte kinderen doen zo ontzettend hun best om hun kind aan leuke vriendschappen te helpen. Vaak gaat het prima, maar soms werken goede bedoelingen averechts. Bijvoorbeeld als ouders aan kinderen in de buurt gaan uitleggen wat de handicap van hun kind precies inhoudt, in de hoop dat ze daardoor open gaan staan voor een vriendschap met hun gehandicapte kind.

“Hoe kan een opgroeiend kind met de anderen meedoen, als er steeds een ouder op zijn of haar lip zit?”

Wat uitleg over de handicap is vaak leerzaam en helpend voor volwassenen die zich willen inleven in je gehandicapte kind. Maar voor kinderen werkt zo’n uitleg niet. Die hebben gewoonweg geen tijd of geduld om ernaar te luisteren en het interesseert ze doorgaans ook niet.
Voor je gehandicapte kind werkt het al helemáál niet. Stel je eens even voor: kinderen willen niet anders zijn dan de rest. Gehandicapte kinderen balen als een stekker dat ze door hun handicap sowieso anders zijn. En dan gaat pap of mam daar ook nog even de nadruk opleggen. Dat wil je gehandicapte kind dus echt niet!

Je ziet ook vaak dat ouders steeds weer met hun gehandicapte kind mee blijven gaan naar het speelveldje in het dorp, terwijl niet-gehandicapte leeftijdgenoten er allang zonder ouders komen. Die ouders willen hun gehandicapte kind uit en in de rolstoel helpen als dat nodig is. Of ze willen de armen van hun gehandicapte kind ondersteunen, zodat hij of zij beter in staat is om dingen te pakken. Of ze willen herhalen wat hun gehandicapte kind zegt, omdat hij of zij een spraakhandicap heeft en niet voor iedereen even goed verstaanbaar is.
Het is allemaal zo goed bedoeld. Dat begrijpen en waarderen weldenkende gehandicapte kinderen echt wel. Maar hoe kan een opgroeiend kind met de anderen meedoen, als er steeds een ouder op zijn of haar lip zit?

“De beste hulp van ouders aan hun gehandicapte kind is hun gehandicapte kind de vrijheid te geven die bij zijn of haar leeftijd past.”

De beste hulp van ouders aan hun gehandicapte kind is hun gehandicapte kind de vrijheid te geven die bij zijn of haar leeftijd past. Laat je gehandicapte kind zijn of haar eigen vriendschap maar regelen, grenzen verleggen, op een goede manier de aandacht van leeftijdgenoten trekken en hen om hulp vragen als dat nodig is, duizend keer herhalen wat hij of zij zegt totdat de andere kinderen het wel verstaan. Dat zijn skills die je gehandicapte kind nodig heeft om een eigen leven op te bouwen. Skills die je gehandicapte kind in de kindertijd moet zien te ontwikkelen. En dat lukt echt het beste als je je gehandicapte kind de ruimte geeft en het vertrouwen dat hij of zij zichzelf wel redt.

Over pesten valt zo veel te zeggen dat Yvette den Brok daar binnenkort een apart artikel over zal schrijven.


0 mensen hebben gereageerd

Alles over rollen

Zoeken
Back to top